Deurne

In vroeger tijden een nederzetting in de Peel, op zichzelf aangewezen:

Deurne bleef eeuwenlang een dorp in de uitgestrektheid van het peellandt, gelegen in een schijnbaar doodsche rust, totdat het winstspeurende mensenoog eindelijk de verborgen schatten ontdekt.

Deurne is onlosmakelijk verbonden met de peel. In vroegere tijden deels een moerassig gebied, deels heidevelden: schaars bewoond is de pedel een gebied waar veel mensen bang voor zijn, "een sonderlingh verlaten oort" waar men slechts doorheen kan trekken in tijden van grote droogte en bij vorst. Her en der lagen kleine dorpen en gehuchten, volledig op zichzelf teruggeworpen. Deurne was een van die dorpen die reeds eeuwen in de peel lagen: in 721 wordt Deurne reeds in oude geschriften vernoemd. Ene Herelaef.
 vermaakt goederen uit Deurne aan St. Willibrord, de patroonheilige van onze gemeenten en verantwoordelijk voor de kerstening van onze streken. Voor onze jaartelling woonden er echter reeds mensen in onze regio, getuige de vondst van een Germaans urneveld (gedateerd 500 voor Christus) in 1837 in de St. Jozefparochie. Het urnenveld in Deurne werd aangelegd
door de Nederrijnse vlakgravencultuur.

En de vondst van o.a. een Romeinse "vergulden" helm tussen Helenaveen en Liessel in 1910 toonde mede aan dat de peel reeds lang voor het begin van onze jaartelling werd bewoond. De naam van onze streek komen wij in de geschriften pas tegen in het jaar 1100. Pedelo, Pedel, Pedele, Pedelant (uit het latijn: "palus" = moeras, poel, meer).

Veel eeuwen was Deurne aangewezen op producten van De Peel: voor de plaggenhutten, voor de bezems, voor de schapen, voor de (eigen) brandstof (turf). In 1326 gaf de hertog van brabant aan de inwoners van Deurne het recht van gebruik van de "gemene" gronden: weiden van de schapen, streken van plaggen, zand en grind halen van de gemeenschappelijke gronden. De huidige grenzen van de Gemeenten Deurne zijn in dat jaar grotendeels vastgelegd. Vanaf eind 14e eeuw woonden de heren van Deurne, zoals Geverard van Doerne (kleinzoon van bovengenoemde, LK), op het Klein Kasteel aan het Haageind, een leengoed van de Brabantse hertogen. 

In 1845 praat de tweede kamer over de aanleg van de spoorlijn Vlissingen-Venlo die, in de buurt van Deurne, dwars door de peel zal gaan lopen. Dan ook krijgt "het kapitaal" belangstelling voor de peel: de ijzeren lijn biedt uitstekende perspectieven voor het turf transport, Helenaveen krijgt zijn plaats in de atlas en turf uit Deurne gaat Europa in.

Deurne wordt een miljoenenparadijs, want daar lagen de rijkste veengronden. De gevolgen zijn (deels nog) duidelijk zichtbaar: een tramverbinding met Limburg (1921-1931), een groots gemeentenhuis, een nieuw postkantoor worden werkelijkheid rond en kort na de eeuwwisseling. Ook de bevolking groeit gestaag: in 1900 telt men dan 4000 inwoners meer dan in 1813. In 1926 zijn het er al weer 4000 meer (10.047 inwoners).

 

 

De geschiedenis van de kerkdorpen Vlierden en Liessel toont gelijkenissen met die van Deurne:

Vlierden ontstond in de vroege Middeleeuwen (vermelding in het Gulden Boek van Echternach in 721).

Liessel wordt voor het eerst in de geschriften vermeld in de 14e eeuw.

Enkele gehuchten van Neerkant worden reeds in de late Middeleeuwen vermeld: Moosdijk en Heitrak. Het centrum van Neerkant krijgt gestalte in de 18e eeuw. Jan en Nicolaas van de Griendt verwerven in 1852 een concessie van de gemeente Deurne om 610 ha veen af te graven in de zuid oost hoek van de gemeente: Helenaveen geeft "het goud van de Peel " prijs en wordt in de atlas vermeld vanaf dat tijdstip.

 

Bron: VVV Stichting Promotion Deurne.